De huurder heeft op grond van artikel 7:206 BW juncto artikel 6:52 BW het recht om zijn huurbetalingen op te schorten, als er sprake is van een gebrek dat door de verhuurder verholpen moet worden. Deze mogelijk bestaat niet als het voor de verhuurder onmogelijk is het gebrek te herstellen of uitgaven van de verhuurder vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van hem gevergd kunnen worden. Ook is vereist dat voor een opschortingsrecht voldoende samenhang dient te bestaan tussen de vordering, herstel van het gebrek, en de verbintenis, betaling van de huurprijs. Er dient wel rekening te worden gehouden met de termijn van drie maanden huurachterstand. De verhuurder heeft namelijk het recht de woning wegens wanbetaling te laten ontruimen bij een huurachterstand van drie maanden of meer.

Op 11 juni 2014 deed zich bij de rechtbank Amsterdam een vraag voor betreffende het opschortingsrecht. In het onderhavige geval had de huurder zijn huur inmiddels drie maanden opgeschort, omdat de gebreken van het gehuurde pand nog niet of onvoldoende door de verhuurder verholpen zouden zijn.

De rechtbank wees de vordering van de huurder af. De gebreken waar hij zich op beriep kwamen niet voor rekening van de verhuurder of had de huurder onvoldoende onderbouwt. Bovendien had de verhuurder inmiddels al zijn best gedaan de gebreken weg te nemen en waren de meeste gebreken al verholpen. Omdat de huurder inmiddels al drie maanden huurachterstand had, diende hij wegens wanbetaling de woning te ontruimen.