Op 9 december 2014 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich uitgelaten over gebreken aan een huurwoning en de gevolgen hiervan. De huurder, appellant in de onderhavige zaak, huurt sinds 2010 een woning van de verhuurder, geïntimeerde. Inmiddels wonen ook de vriendin van huurder en zijn kind in de woning. Eén van de keukenkastjes van de huurwoning hing aan de bovenkant los. De gebruikersmogelijkheden werden hierdoor verminderd. Daarmee kon het gehuurde aan de appellant niet het genot verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. Niet gesteld of gebleken is dat het gebrek aan appellant toe te rekenen is. Er is dus sprake van gebrek aan het gehuurde. Het herstel van het keukenkastje behoort niet tot de kleine herstellingen die de huurder op grond van artikel 7:217 BW moet verrichten. Vanwege het gewicht van het keukenkastje en het gewicht aan serviesgoed dat het zal moeten dragen, zal het ophangen en/of vastzetten van een keukenkastje zodanig secuur en solide moeten gebeuren dat dit volgens het hof niet behoort tot herstellingen die door de gemiddeld handige huurder zonder al te veel kosten en/of specialistische kennis kunnen worden verricht. Het hof veroordeelt de verhuurder tot herstel van het loszittende keukenkastje.

Ook vordert de appellant schadevergoeding in verband met extra hoge stookkosten in verband met een niet goed sluitend raam in de babykamer. Het hof wijst dit verzoek toe. Het gebrek is na het aangaan van de huurovereenkomst ontstaan en de verhuurder is dan op grond van artikel 7:208 BW tot vergoeding van de door het gebrek veroorzaakte schade verplicht. Het gebrek aan het raam kan aan de verhuurder worden toegerekend vanaf het moment dat de huurder daarvan kennis heeft gegeven aan de verhuurder. In de onderhavige zaak had appellant de verhuurder in de op 21 januari 2013 uitgebrachte inleidende dagvaarding van het gebrek kennis gegeven. Toen geïntimeerde op de hoogte was van het gebrek, had zij binnen bekwame tijd moeten overgaan tot herstel en het valt haar te verwijten dat zij niet eerder dan op 11 oktober 2013 daartoe is overgegaan. Het hof neemt aan dat het niet (goed) sluitende raam in de babykamer heeft geleid tot hogere stookkosten. Het hof begroot de hogere stookkosten voor wat betreft de babykamer voor ongeveer vier maanden (van 21 januari 2013 tot medio april 2013 en van medio september 2013 tot 11 oktober 2013) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.

Als gevolg van de gebreken heeft de appellant om huurvermindering verzocht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat slechts een substantiële aantasting van het huurgenot aanleiding zal kunnen zijn tot huurvermindering. Het hof oordeelt dat van het loszittende keukenkastje niet kan worden gezegd dat het leidt tot een substantiële aantasting van het huurgenot. Dit ligt anders bij het niet goed sluitende raam in de babykamer. Gezien het feit dat een baby kwetsbaarder is dan een volwassene en gemiddeld ook meer tijd doorbrengt in de babykamer, is het hof van oordeel dat het niet goed sluitende raam in de babykamer leidt tot een substantiële aantasting van het huurgenot. Dit zal aanleiding zijn tot huurvermindering vanaf de dag dat appellant van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan geïntimeerde of vanaf de dag waarop het gebrek in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan. De huurvermindering in de onderhavige zaak ziet op de periode tussen 21 januari 2013 en 11 oktober 2013.