Op 1 mei 2012 heeft de huurder (appellant) een huurovereenkomst gesloten met de verhuurder (de geïntimeerde) met betrekking tot een bedrijfsruimte. De gehuurde bedrijfsruimte zal uitsluitend worden bestemd om als wasserij en linnenverhuur gebruikt te worden. Voordat de huurovereenkomst werd gesloten, liepen alle contacten via de makelaar die als bedrijfsmakelaar optrad voor de verhuurder. In het bijzijn van de makelaar heeft appellant het gehuurde bezichtigd. De (mogelijkheid tot een) gasaansluiting – die voor het gebruik als wasserij vereist is – ontbrak in het gehuurde. Toen later bleek dat gasleverantie op het gehuurde adres niet mogelijk was, heeft appellant gevraagd de huurovereenkomst te ontbinden. Sinds september 2012 heeft appellant dan ook geen huurbetalingen meer aan geïntimeerde verricht.

Op 13 januari 2015 doet het Gerechtshof Amsterdam uitspraak. In het geding heeft appellant gevorderd dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden dan wel vernietigd en dat de verhuurder zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen huurder op grond van de huurovereenkomst heeft betaald. Appellant stelt dat de bedrijfsruimte geen enkele gebruikswaarde heeft, omdat de gasleverantie – welke een absolute voorwaarde is voor een wasserij – op het adres van de gehuurde bedrijfsruimte niet mogelijk is. Geïntimeerde heeft gevorderd dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat appellant wordt veroordeeld tot voldoening van achterstallige huur en schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de huur. Appellant stelt dat zij naar aanleiding van mededelingen van de makelaar er van uit mocht gaan dat gaslevering mogelijk was. Het hof oordeelt dat er geen gronden zijn om mededelingen, handelen of nalaten van de makelaar aan de verhuurder toe te rekenen. Aan de opdracht van de verhuurder aan de makelaar ligt een bemiddelingsovereenkomst ten grondslag; deze omvat in de regel geen volmacht tot vertegenwoordiging, zodat de grondslag voor toerekening van artikel 6:172 BW niet van toepassing is op het handelen, (gebrek aan) wetenschap dan wel nalaten van de makelaar. Ook is niet aan de vereisten van artikel 6:171 BW voldaan, zodat ook daarin geen grondslag voor toerekening te ontlenen is. Bovendien overweegt het hof dat de omstandigheid dat gasvoorziening in Nederland gebruikelijk is, niet zonder meer met zich meebrengt dat appellant de aanwezigheid daarvan mag veronderstellen. Appellant was er immers van op de hoogte dat er (nog) geen gasmeter in de bedrijfsruimte aanwezig was. Verder kon aan de bestemmingsbepaling dat de gehuurde door of vanwege huurder uitsluitend zou worden bestemd om te worden gebruikt als wasserij en linnenverhuur, niet worden ontleend dat verhuurder zich had verbonden tot verhuur van een bedrijfsruimte die zonder meer geschikt was voor de exploitatie van een wasserij. Het hof heeft de vorderingen van appellant afgewezen.