De vader van eiser was eigenaar van de appartementsrechten van de woning en drie in het pand gelegen bergingen. De woning en de drie bergingen verhuurde de vader aan zijn zoon (eiser). In 2005 zijn vader en de zoon schriftelijk overeengekomen dat de zoon de woning en de drie bergingen koopt voor € 150.000. In 2008 hebben vader en zoon bij schriftelijke overeenkomst de verkoopprijs gesteld op € 162.000. Later in 2008 heeft de levering van het huis plaatsgevonden en zijn de appartementsrechten overgegaan op de zoon.

In 2007 heeft een makelaar bureau de waarde in het economische verkeer van de woning getaxeerd. De waarde in het economische verkeer in verhuurde staat van de appartementsrechten op de woning en de drie bergingen bedroeg in 2005 € 150.000. Een tweede makelaar heeft in opdracht van de vader de woning vrij van huur en gebruik in 2008 getaxeerd op € 230.000. Een derde makelaar heeft in 2011 de waarde in vrije staat van de appartementsrechten op de woning en de drie bergingen getaxeerd op € 245.000.

De vraag die zich voordoet is of er sprake is van schenking. Eiser stelt dat hier geen sprake van is, omdat de vader niet wordt verarmd en hij niet wordt verrijkt wegens de koopsom die gelijk is aan de marktwaarde in verhuurde staat. Tevens heeft de vader de woning laten taxeren door een derde en de koopprijs in verband met het tijdsverloop naar boven aangepast, waardoor hij niet de wens had om eiser te bevoordelen. Verweerder stelt dat er sprake is van schenking, omdat bij verkoop aan de huurder de verhuurde staat van de woning komt te vallen. De huurder gaat immers zelf de woning bewonen. Hierdoor moet de waarde in lege staat in aanmerking worden genomen. Omdat de koopsom lager is dan de waarde in het economische verkeer in vrij opleverbare staat, is er volgens verweerder sprake van verarming van de vader en verrijking van eiser en is objectief bezien sprake van de bedoeling om te bevoordelen.

De rechtbank Noord-Holland doet uitspraak op 3 augustus 2015. De rechtbank stelt dat het huurcontract dat aan de bewoning ten grondslag ligt teniet gaat, doordat de eiser de appartementsrechten op de woning en de drie bergingen van zijn vader koopt. De waarde van de woning moet daarom gesteld worden op de waarde in onbewoonde staat (vgl. HR 11 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AC1879). De zoon heeft de woning gekocht voor een prijs die is gebaseerd op de waarde in verhuurde staat en niet op de hogere waarde die voortvloeit uit de waarde in vrij opleverbare staat.

Daarom bepaalt de rechtbank dat er sprake is van verarming van de vader en verrijking van de eiser. Volgens de rechtbank is naast de bewustheid tot bevoordeling ook sprake van vrijgevigheid als degene die verarmt de verrijking van de andere partij heeft gewild (vgl. HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272).  Omdat de makelaar, die in opdracht van de vader, de woning in vrij opleverbare staat heeft getaxeerd op € 230.000 en de vader de woning alsnog voor € 162.000 heeft verkocht, is aan het vereiste van vrijgevigheid voldaan. De rechtbank oordeelt dan ook dat er sprake is van schenking.

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:7850