De huurovereenkomst tussen de huurder (appellant) en verhuurder (geïntimeerde 1) was in 2010 door de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad ontbonden. De huurder was door de kantonrechter veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten. De huurder moest de sleutels ter vrije beschikking van geïntimeerde 1 stellen. Als de huurder dit zou nalaten, zou hij in gebreke zijn, met als gevolg dat geïntimeerde 1 de woning kan ontruimen door een deurwaarder. Op 27 december 2010 was het vonnis aan de huurder betekend. De deurwaarder had de huurder bij exploot bevolen om de gehuurde woning binnen 14 dagen te ontruimen met de aanzegging dat de woning op 20 januari 2011 op kosten van de huurder zou worden ontruimd als de huurder aan het bevel geen gevolg geeft. De huurder heeft de woning niet ontruimd. Als gevolg hiervan heeft de deurwaarder de woning op 21 januari 2011 ontruimd. Hiervoor zijn kosten gemaakt voor het openen en vervangen van het slot en het maken van nieuwe sleutels. De kosten van deze factuur bedraagt € 4.945,64.

De inboedel van de (oude) woning heeft de huurder verhuisd naar de woning van zijn moeder. Zijn moeder was reeds in 2010 overleden en hij is in de (nieuwe) woning gaan wonen. De kantonrechter heeft ook deze huurovereenkomst tussen de verhuurder (geïntimeerde 2) en de huurder ontbonden. De huurder was veroordeeld de woning te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van geïntimeerde 2 te stellen. De huurder had de woning niet ontruimd, waardoor de deurwaarder de woning moest ontruimen. Bij de ontruiming heeft de deurwaarder de sloten moeten openen en vervangen, waarvan de factuur € 7.602,91 bedraagt.

Beide verhuurders hebben de huurder gevorderd de door hen gemaakte kosten (€ 4.945,64 en € 7.602,91) terug te betalen. Ten grondslag van deze vorderingen hebben de verhuurders gelegd dat deze kosten op grond van de proceskostenveroordelingen en artikel 343a Rv vanwege de gedwongen ontruiming op de huurder kunnen worden verhaald.  De huurder stelt dat hij niet gehouden is de ontruimingskosten te vergoeden, omdat dit niet is opgenomen in de ontruimingsvonnissen en er evenmin een contractuele verbintenis is aan te wijzen waaruit dat volgt. Bovendien betwist de huurder de redelijkheid van de kosten. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 24 april 2013 de huurder veroordeeld de factuurbedragen aan de verhuurders te betalen. De huurder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Op 28 oktober 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan. Het Hof stelt dat vaststaat dat de huurder op grond van de ontruimingsvonnissen, die in kracht van gewijsde zijn gegaan, is veroordeeld de woningen te verlaten en te ontruimen. Vaststaat dat de huurder niet binnen de gestelde termijn aan die veroordelingen heeft voldaan, terwijl de vonnissen wel aan hem zijn betekend. Door niet aan de ontruimingsvonnissen te voldoen, is de huurder in zijn verplichtingen jegens de verhuurders tekort geschoten. Die verplichtingen zijn het noodzakelijke gevolg van het systeem van de executoriale titel, ex artikel 3:297 BW. De met de gedwongen ontruiming gepaard gaande kosten vallen onder artikel 237 lid 3 Rv, nu deze niet op voorhand zijn te begroten. Dat dit niet met zoveel woorden in de ontruimingsvonnissen is bepaald, acht het Hof niet relevant aangezien dit voortvloeit uit de wet. Door de ontruimingsvonnissen niet vrijwillig na te leven, is de huurder schadeplichtig jegens de verhuurders op grond van artikel 3:297 BW in samenhang met artikel 6:74 lid 1 BW. De schade bestaat uit de kosten die de verhuurders hebben moeten maken om de betrokken woningen door de deurwaarder te laten ontruimen. Deze kosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Vereist is slechts dat de kosten in de gegeven omstandigheden redelijk zijn. Met betrekking tot de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten heeft de kantonrechter overwogen dat waar met aanwijzing van de deurwaarder als degene die bij uitsluiting bevoegd is een gedwongen ontruiming te effectueren wordt beoogd eigenrichting te voorkomen en een behoorlijke wijze van ontruiming te waarborgen, ervan uit mag worden gegaan dat de ontruiming behoorlijk heeft plaatsgevonden. De daarbij gemaakte kosten moeten redelijk zijn, tenzij de huurder aannemelijk maakt dat de kosten onnodig zijn gemaakt dan wel onredelijk hoog zijn. Tegen dit oordeel is niet gegriefd, zodat ook het Hof hiervan uit dient te gaan. De huurder is veroordeeld tot vergoeding van de gemaakte kosten.