Een meerderjarig inwonend kind wordt niet zomaar medehuurder. Dat kan het kind echter wel worden als het kind (onder andere) zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de ouder. Maar wanneer is daar sprake van? Recent (op 10 december 2019) heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Op welke gronden kwam het hof tot dat oordeel? Dat waren de volgende:

  • moeder en zoon deden samen boodschappen;
  • zij aten samen;
  • zij ontvingen samen bezoek;
  • zij brachten samen vrije tijd door;
  • zij gingen samen op bezoek;
  •  de zoon betaalde pedicurerekeningen van zijn moeder;
  • de zoon droeg bij in de kosten van de huishouding want hij betaalde maandelijks € 200,– aan zijn moeder;
  •  het was de bedoeling van de zoon en de moeder om samen te blijven wonen;
  •  de zoon zorgde voor de moeder en de moeder zorgde voor de zoon (die aan straatvrees leed);
  •  de dochter van de zoon kwam wekelijks bij hem in de woning;
  •  de woning met bekende buren is voor de zoon een veilige omgeving die hij nodig heeft in verband met zijn straatvrees;
  •  de zoon en de moeder hadden eerder samen verzocht om de zoon als medehuurder te erkennen;
  •  uit verklaringen blijkt dat zij de bedoeling hadden om blijvend samen te wonen;
  •  de zoon heeft werkzaamheden aan de woning uitgevoerd;
  • de zoon was niet ‘slechts’ mantelzorger. De zorg was wederkerig.

Het kind had in deze zaak heel veel verklaringen verzameld. Het hof hechtte er belang aan dat dit niet allemaal verklaringen van familieleden en vrienden waren, maar ook van minder betrokken personen zoals een buschauffeur en een winkelbediende.

Er gelden nog meer vereisten, waaronder het vereiste dat het kind genoeg geld heeft om de huur te kunnen betalen. Ben u benieuwd of u als huurder voldoet aan de vereisten, of moet u zich als verhuurder verweren tegen een vordering tot voortzetting van de huur? U kunt vrijblijvend contact met onze advocaat huurrecht opnemen. Als verhuurder is het van groot belang om de stellingen van het kind zo breed mogelijk te betwisten.

Op het kind dat voortzetting wil, rust een verzwaarde stelplicht. Dat betekent dat het kind zoveel mogelijk omstandigheden moet noemen (en met stukken moet onderbouwen) waaruit volgt dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Als het kind medehuurder wil worden, dan moet het kind binnen zes maanden na het overlijden van de ouder een dagvaarding aan de verhuurder laten betekenen waarmee het kind zijn vordering instelt. Zolang de procedure loopt, kan het kind in de woning blijven.

Hier vindt u de uitspraak.