Regelmatig doet zich de vraag voor of de huurder tekortschiet als hij als gevolg van detentie de gehuurde woning (tijdelijk) niet kan gebruiken. Dit was ook het geval bij de rechtbank Midden-Nederland op 7 juli 2014. De huurder in deze zaak is tot 36 maanden gevangenisstraf veroordeeld. In de huurovereenkomst met de verhuurder staat dat de huurder zijn hoofdverblijf in de gehuurde woning dient te hebben en de woning dus feitelijk moet gebruiken. Verhuurder heeft deze bepaling in het huurcontract opgenomen, zodat de huurder feitelijk in staat is om de verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van het gehuurde te blijven dragen. Artikel 7:213 BW bepaalt dat de huurder zich ten aanzien van het gehuurde als een goed huurder dient te gedragen. De vraag doet zich voor of de huurder in het onderhavige geval in strijd handelt met de huurovereenkomst en artikel 7:213 BW als hij 36 maanden gedetineerd zit.

De huurder heeft een verzoek tot huisbewaring gedaan. Dit verzoek is afgewezen, omdat de huisbewaring voor maximaal één jaar kan worden aangegaan en de detentie anderhalf jaar duurt. Bovendien heeft huurder anderhalf jaar geen hoofdverblijf in de woning, waardoor hij geen verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van de woning kan blijven dragen. Dat de huurder op een gegeven moment weer in weekenden in de woning mag verblijven, is onvoldoende om van een hoofdverblijf te kunnen spreken. De huurder kan niet voldoen aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst en schiet te kort in de nakoming.

De tekortkoming betreft één van de kernverplichtingen van de huurovereenkomst en heeft meer dan een incidenteel karakter. Bovendien gaat het in het onderhavige geval om een woning in de sociale sector. Het aanbod van dergelijke woningen is schaars en bedoelt voor mensen met een smalle beurs. De rechtbank oordeelt dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning rechtvaardigt.