De onderhavige zaak gaat over het gevolg van een te laat opgezegde huurovereenkomst. De rechtsvoorgangers van Oracle hadden in 2001 van de rechtsvoorgangers van Westinvest een kantoorruimte gehuurd voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 april 2002 en lopende tot en met 31 maart 2012. De huurovereenkomst kon voortgezet worden voor de duur van 5 jaar, derhalve tot en met 31 maart 2017. De huurovereenkomst kon uitsluitend door opzegging van de huurder per deurwaardersexploot of per aangetekende brief tegen het einde van de huurperiode beëindigd worden. Hierbij diende een (opzeg)termijn van ten minste 12 maanden in acht te worden genomen. Op 29 april 2011 had Oracle per brief bericht dat ze de huurovereenkomst wilde laten eindigen per 31 maart 2012. Westinvest liet weten de opzegging niet te accepteren, omdat het te laat was opgezegd. Oracle had beroep ingesteld en vorderde de beëindiging van de huurovereenkomst per 31 maart 2012. Westinvest stelde dat de huurovereenkomst niet tijdig was opgezegd en daarmee was verlengd tot en met 31 maart 2017.

De kantonrechter had op 26 april 2012 een oordeel geveld over de onderhavige zaak. Zij had de vorderingen van Oracle afgewezen en die van Westinvest toegewezen. Oracle ging hiertegen in beroep. Oracle stelde dat het beroep van Westinvest op het ontbreken van een tijdige opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het Hof doet uitspraak op 26 augustus 2014. Het Hof stelt dat gekeken moet worden of het voor Westinvest vóór de uiterste opzegdatum ondubbelzinnig duidelijk was dat Oracle de huurovereenkomst na 31 maart 2012 niet wilde verlengen. Als dit ondubbelzinnig duidelijk zou zijn, zou het beroep van Westinvest op de niet tijdige opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het Hof is van oordeel dat uit de door Oracle aangevoerde feiten, omstandigheden en verklaringen niet volgt dat het voor Westinvest ondubbelzinnig duidelijk was dat Oracle de huurovereenkomst niet wenste voort te zetten. Bovendien overweegt het Hof dat bij een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid betracht moet worden. Omstandigheden zoals (onder meer) de financiële en maatschappelijke positie van partijen dienen hierbij meegewogen te worden. Zowel Westinvest als Oracle zijn professionele contractpartijen met de nodige financiële armslag. Bovendien is Oracle gedurende de hele huurperiode bijgestaan door makelaars van CBRE. Het Hof oordeelt dat zij zich bij de rechterlijke toetsing ‘in versterkte mate’ terughoudend op moeten stellen. Het Hof wijst dan ook de vordering van Oracle af en stelt dat de huurovereenkomst zal eindigen op 31 maart 2017. Door deze terughoudendheid ‘in versterkte mate’ wijkt het Hof in de onderhavige zaak af van de bestaande jurisprudentie (zie bijvoorbeeld rechtbank Zwolle-Lelystad 20 december 2011, ECLI:NL:RBZLY:2011:BV0203 en rechtbank Oost-Brabant 17 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1769).